Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2013–2014

32 334

Voorstel van wet van het lid Van Tongeren tot

verandering in de Grondwet, strekkende tot

invoering van de bevoegdheid tot toetsing van

wetten aan een aantal bepalingen van de

Grondwet door de rechter

Nr.

8

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 augustus 2014

Inleiding

«Een nieuwe spreuk waarvoor ieder als voor een gesloten deur zal blijven

staan» (Thorbecke).

1

Met deze beroemde uitspraak uitte Thorbecke in

1848 zijn bezwaren tegen de grondwettelijke zinsnede «De wetten zijn

onschendbaar». Toentertijd zag Thorbecke reeds in dat deze bepaling

invloed zou hebben op de elementaire rechtsbescherming van de

Nederlandse burger. Met het ontstaan van de verplichting om wetgeving

in formele zin te toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van

verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties is de

gesloten deur waar Thorbecke over sprak al enigszins geopend. Nu, ruim

anderhalve eeuw na de veelzeggende waarschuwing van Thorbecke,

duurt de discussie over het verder openen van deze deur nog steeds

voort.

De Grondwetsherziening van 1848 is van groot belang geweest voor de

ontwikkeling van de democratische rechtsorde zoals wij deze nu in

Nederland kennen. Deze Grondwetsherziening, die plaatsvond onder

leiding van Thorbecke, vormt nog steeds de basis voor ons huidige stelsel

van de parlementaire democratie. Sinds 1848 bepaalt de Grondwet dat de

interpretatie ervan aan de wetgever is voorbehouden en verbiedt de

Grondwet rechters om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet.

Hiertoe werd de bepaling «De wetten zijn onschendbaar» opgenomen in

de Grondwet. Bij de Grondwetsherziening van 1983 heeft deze bepaling,

ondanks serieuze voorafgaande discussie over gedeeltelijke opheffing van

het toetsingsverbod, plaatsgemaakt voor het huidige toetsingsverbod in

artikel 120 Grondwet. Over de wenselijkheid van het verbod wordt reeds

sinds 1848 uitgebreid gediscussieerd. Thorbecke had als één van de

eersten principiële bezwaren tegen de onschendbaarheidsbepaling.

Volgens Thorbecke zou men hiermee de eenheid der wetgeving

verbreken, de Grondwet zou ophouden Grondwet te zijn en de wetgever,

die zijn bestaan en zijn recht enkel uit de Grondwet ontleent, zou boven de

1

J.R. Thorbecke,

Bijdrage tot de herziening van de Grondwet,

s-Gravenhage 1921, p. 60 e.v.

kst-32334-8

ISSN 0921 - 7371

s-Gravenhage 2014

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

Grondwet komen te staan.

2

Ondanks deze bezwaren kwam de bepaling er

toch. Ook in periodes na 1848 werd regelmatig uitgebreid van gedachten

gewisseld over de wenselijkheid van constitutionele toetsing door de

rechter, met name na de invoering van het huidige artikel 94 Grondwet in

1953. Dit artikel gebiedt de rechter namelijk wettelijke voorschriften, óók

wetten om formele zin, wel te toetsen op verenigbaarheid met een ieder

verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke

organisaties. Dit betekent dat de rechter sindsdien internationale

grondrechtenbescherming biedt, maar geen bescherming tegen mogelijk

onrechtmatige formele wetgeving kan bieden aan de hand van onze eigen

nationale normen en waarden die onze Grondwet weergeeft. Ook het door

de Hoge Raad gewezen Harmonisatie-arrest blies de discussie nieuw

leven in.

3

Ruim anderhalve eeuw na de Grondwetsherziening van 1848 en veel

technische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen later pleitte

de Commissie Franken in het advies «Grondrechten in het digitale

tijdperk» voor opheffing van het toetsingsverbod voor die grondrechten

die naar hun aard directe werking hebben. De Commissie acht dit van

belang voor de uitleg en toepassing van grondrechten in onze sterk

veranderende samenleving.

4

De snel ontwikkelende en meer internati-

onaal georiënteerde samenleving leidt tot veranderingen in rechtsopvat-

tingen. Het is van groot belang dat hiermee rekening wordt gehouden bij

de uitleg en toepassing van grondrechten. Grondrechten noch wetten

behoren statisch in omvang en betekenis te zijn. Daarbij komt dat onze

samenleving steeds meer pluriform wordt waardoor het risico toeneemt

dat het door de wetgever vertegenwoordigde collectieve belang in een

concreet geval een weliswaar onbedoeld, maar tegengesteld en onrecht-

vaardig effect heeft. Met name voor de onvervreemdbare individuele

grondrechten waar dit wetsvoorstel op ziet, is het vandaag de dag van

groot belang dat democratische minderheden en individuen zich

beschermd weten. De rechter kan de toepassing van grondrechten in een

concreet geval toetsen en daarmee een waardevolle complementaire rol

vervullen die geenszins afdoet aan de voorafgaande abstracte toetsing

door de wetgever. Het past niet in onze staatsrechtelijke traditie dat de

rechter het primaat van de wetgever zal overnemen en dat is dan ook

geenszins de bedoeling met dit wetsvoorstel. Middels constitutionele

toetsing kunnen de grondrechten dynamiek krijgen, zodat de Grondwet

een levend document in onze rechtsstaat kan zijn.

Dit wetsvoorstel omvat de introductie van een beperkte bevoegdheid tot

constitutionele toetsing door de rechter. Hierbij is gekozen voor een

systeem van gespreide toetsing, hetgeen inhoudt dat iedere rechter de

voorgestelde bevoegdheid zal verkrijgen. Deze keuze wordt hierna nader

toegelicht. Het verheugt mij dat het wetsvoorstel in eerste lezing is

aanvaard door beide Kamers. Ook heb ik met belangstelling kennis

genomen van het verslag. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om

op de in het verslag gemaakte opmerkingen te reageren en de gestelde

vragen te beantwoorden. Alvorens uitgebreid stil te staan bij de vragen

die gesteld zijn door verschillende fracties wil ik mij excuseren voor de

lange tijd die de Kamer heeft moeten wachten op deze schriftelijke

beantwoording. Dit hangt onder meer samen met de snelle aaneenscha-

keling van verkiezingen voor de Tweede Kamer. De Raad van State heeft

in een advies uit 2003 al eens aangegeven dat het feit dat er nieuwe

verkiezingen hebben plaatsgevonden voor de voortzetting van de tweede

2

P.B. Cliteur,

Constitutionele toetsing

, ‘s-Gravenhage: Teldersstichting, 1991, p. 32–33.

3

HR 14 april 1989,

NJ

469.

4

Zie het rapport van de Commissie

Grondrechten in het digitale tijdperk

, (Commissie Franken),

De adviezen van de Commissie Franken, 2000.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

lezing [1] geen belemmering vormt.

5

Ik hoop bovendien dat de leden er

begrip voor hebben dat voor een Tweede Kamerlid een dergelijk

wetsvoorstel een zware opgave is. Aan dit wetsvoorstel is een lange tijd

van debat, van stilte, van oplaaiende en weer dovende controverse

voorafgegaan. Een Grondwetswijziging vereist een zware wetgevingspro-

cedure. Toch ben ik ervan overtuigd dat dit wetsvoorstel ondanks de duur

van de behandeling in deze snel ontwikkelende samenleving een

belangrijke waarde vertegenwoordigt, te weten de uitbreiding van de

elementaire rechtsbescherming van burgers. Met name de uitdijende en

diffuus wordende overheidsbevoegdheden vergroten de wenselijkheid

naar verdergaande rechtsbescherming van burgers, hetgeen met de

invoering van constitutionele toetsing door de rechter bereikt kan worden.

Tijdens de eerste lezing is uitgebreid van gedachten gewisseld over de

voor- en nadelen van de voorgestelde constitutionele toetsing door de

rechter. Voorstanders zien enkele nadelen, zoals ook tegenstanders enkele

voordelen zien. Deze voor- en nadelen moeten zorgvuldig tegen elkaar

worden afgewogen, waarna een weloverwogen keuze dient te worden

gemaakt. Voor de volledigheid zal ik hier kort de voornaamste

argumenten in het debat over constitutionele toetsing benoemen die later

in de schriftelijke beantwoording uitgebreid aan bod komen. Een

belangrijk onderwerp van discussie betreft de rechtseenheid en de

rechtszekerheid. Tegenstanders betogen dat constitutionele toetsing door

de rechter de rechtszekerheid ondermijnt vanwege uiteenlopende

interpretaties. Ik erken de mogelijkheid dat lagere rechters in eerste

instantie tot een verschillende uitleg van grondrechten kunnen komen,

zoals dit bij wetsinterpretaties in het algemeen en bij toetsing aan

verdragsbepalingen kan voorkomen. Hierbij moet echter worden

opgemerkt dat het huidige rechtsbestel reeds beschikt over rechtseen-

heidsvoorzieningen, bijvoorbeeld de prejudiciële procedure bij de Hoge

Raad en informeel overleg tussen de hoogste rechtscolleges. Een ander

centraal argument in deze discussie vormt het argument aangaande de

trias politica, en meer in het bijzonder het primaat van de wetgever. De

wetgever is democratisch gelegitimeerd en tegenstanders menen dat

constitutionele toetsing het primaat van de wetgever aantast. Het

wetsvoorstel leidt weliswaar tot een lichte verschuiving naar een meer

evenwichtige verhouding tussen de wetgever en de rechter, maar tast het

primaat van de wetgever niet aan. Constitutionele toetsing dient niet

gezien te worden als een mogelijkheid van de rechter om de wetgever

achteraf «op de vingers te tikken», maar als uitbreiding van de rechtsbe-

scherming. Constitutionele toetsing door de rechter biedt rechtsbe-

scherming in concreto en is daarmee complementair aan de rechtsbe-

scherming in abstracto die de wetgever met zijn eigen constitutionele

toetsing biedt. Daarbij komt dat de rechter een terughoudende plaats in

ons rechtsbestel inneemt. Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter zich

terdege bewust is van het primaat van de wetgever.

6

De rechter zal dan

ook terughoudendheid betrachten en grote waarde toekennen aan de

interpretatie van de wetgever. Dit zal zeker zo zijn in het geval de wetgever

uitgebreid aandacht heeft besteed aan de grondwettelijke aspecten van

zijn wetgeving. Een gevolg hiervan is dat de Grondwet een meer

prominente rol in de parlementaire behandeling krijgt en daarmee een

levend document wordt. Een veelgenoemd argument is bovendien het

verdragsargument. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft de rechter sinds

1953 de verplichting om wettelijke voorschriften buiten toepassing te

laten als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen

5

Kamerstukken II 2003/2004, 29 200 VII, nr. 36. Vgl. C.A.J.M. Kortmann,

Constitutioneel Recht

,

Deventer: Kluwer 2012, p. 93, noot 88.

6

Recente voorbeelden van deze terughoudendheid zijn onder meer: HR 23 maart 2003,

NJ

2003/691 (Stichting Waterpakt/De Staat) en HR 1 oktober 2004,

NJ

2004/679

(Faunabescherming/Friesland).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Hiermee

ontstond de onevenwichtige situatie dat rechterlijke bescherming wel is

gegeven voor grondrechten die zijn neergelegd in internationale

verdragen, maar niet is geboden voor de grondrechten uit onze eigen

Grondwet. Het wetsvoorstel beoogt de grondrechtenbescherming ook op

nationaal niveau te brengen en niet slechts van internationale herkomst te

doen zijn. Bovendien moet, zoals Thorbecke reeds opmerkte, onderkend

worden dat het huidige toetsingsverbod uitzondering op de regel is. Dit

wetsvoorstel herstelt de hoofdregel dat lagere normen aan hogere

normen getoetst kunnen worden en doet daarmee ook meer recht aan de

hiërarchie van onze wetten.

In het verslag is meermalen verzocht om een vergelijking tussen

Nederland en andere landen waar constitutionele toetsing reeds is

ingevoerd. De beantwoording voorziet dan ook in een uitgebreide

rechtsvergelijking. Opmerkelijk is dat de discussies omtrent constituti-

onele toetsing in andere landen niet langer gaan over de vraag

of

constitutionele toetsing door de rechter moet worden ingevoerd, maar

over de vraag

hoe

deze vorm te geven. In het buitenland ziet men dat na

aanvaarding van constitutionele toetsing vaak nadere compromissen

worden gesloten over de vormgeving hiervan om zowel de rechtsbe-

scherming uit te breiden als de parlementaire soevereiniteit te

waarborgen. Vooral in landen waar volkssoevereiniteit hoog in het

vaandel staat, zoals Canada en Frankrijk, is deze zoektocht naar de

optimale vormgeving van constitutionele toetsing van groot belang

geweest. De uitkomst van deze zoektocht wordt in beide landen als

positief ervaren. Zo wordt de constitutionele toetsing door de wetgever en

door de rechter in Frankrijk gezien als elkaar versterkende mechanismen.

In Canada is de theorie van dialoogmodellen ontwikkeld, waarin de

complementaire taken van de rechter en de wetgever ter optimalisering

van grondrechtenbescherming tot uitdrukking komen. Hierbij betracht de

rechter terughoudendheid en biedt hij met zijn uitspraak de wetgever

zoveel mogelijk de gelegenheid om een oplossing te formuleren. Op deze

manier waarborgt de rechter het primaat van de wetgever. Ook in

Nederland zal na aanvaarding naar alle waarschijnlijkheid een dergelijke

optimalisering van

checks and balances

plaatsvinden.

In het denken over constitutionele toetsing door de rechter lijkt een

ontwikkeling gaande die duidt op een bredere acceptatie van de in het

wetsvoorstel voorgestelde constitutionele rol van de rechter. Zo conclu-

deerde het toenmalige kabinet in 2002 in de nota «Constitutionele toetsing

van formele wetten» dat handhaving van het toetsingsverbod een

verdedigbare optie was, maar dat het een zekere voorkeur had voor de

introductie van een beperkte toetsingsbevoegdheid van de rechter.

7

Daarnaast luiden de aanbevelingen van de Nationale Conventie uit 2006

dat voorstellen van wet zorgvuldig aan de Grondwet getoetst moeten

worden en dat daarna de mogelijkheid van toetsing van wetten door

iedere rechter aan klassieke grondrechten uit de Grondwet geopend dient

te worden.

8

Bovendien kan gewezen worden op de bevinding van de

Staatscommissie Grondwet uit 2010: «Constitutionele toetsing kan de

normativiteit van de Grondwet ten goede komen. De Staatscommissie

meent dat er daarom goede redenen zijn het toetsingsverbod te herover-

wegen».

9

Daarbij komt dat de rechter zich in het afgelopen decennium

nog steeds terughoudend opstelt en laat zien zijn plaats in het constituti-

onele bestel te kennen.

Ik ben mij echter terdege bewust van het feit dat er ook ontwikkelingen in

een andere richting gaande zijn. Op het ogenblik is naast dit wetsvoorstel

ook een ander initiatiefwetsvoorstel aanhangig dat bij aanvaarding tot een

7

Kamerstukken II

2001/02, 28 355, nr. 2.

8

Aanbevelingen van de Nationale conventie voor de 21

e

eeuw, september 2006, p. 45.

9

Rapport Staatscommissie Grondwet 2010, p. 6.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8 4

 

grote verandering in de constitutionele rol van de rechter zal leiden, te

weten het wetsvoorstel van het lid Taverne. Dit wetsvoorstel ziet op een

wijziging van de artikelen 93 en 94 Grondwet waarmee wetten in formele

zin worden uitgezonderd van rechterlijke toetsing aan een ieder verbin-

dende bepalingen van verdragen van besluiten van volkenrechtelijke

organisaties.

10

Ik betwijfel of dat wetsvoorstel recht doet aan ons

nationale systeem van

checks and balances.

De initiatiefnemer gaat eraan

voorbij dat de op zichzelf rechtvaardige wetgeving die door een democra-

tisch gelegitimeerde wetgever tot stand komt in zijn uitwerking in

concrete gevallen niet altijd tot een rechtvaardige uitkomst leidt. Indien dit

wetsvoorstel wet zou worden is het in ieder geval onvermijdelijk dat

toetsing aan onze nationale grondrechten uitgebreid wordt. Anders staat

de rechtszoekende burger namelijk volledig in de kou wanneer het wetten

in formele zin betreft en minderheden zijn dan overgeleverd aan meerder-

heidsbeslissingen van het parlement, dat net als vóór 1953 weer volledig

onschendbare wetten vaststelt. Men kan zich dan afvragen of nog langer

werkelijk sprake is van een rechtsstaat. De invoering van constitutionele

toetsing is in overeenstemming met ons systeem van

checks and

balances

, waarin de rechter een complementaire rol naast de wetgever

vervult. Zoals de Raad voor de rechtspraak het reeds formuleerde in zijn

advies dient het buiten toepassing laten van een wet door een rechter in

een concreet geval niet te worden uitgelegd als een «tik op de vingers»

van de wetgever, maar als rechtsbescherming in concreto die comple-

mentair is aan de rechtsbescherming in abstracto die de wetgever biedt.

Op deze manier wordt de grondrechtenbescherming geoptimaliseerd.

11

Hier kom ik bij de beantwoording van de vragen op terug. Naar mijn

mening biedt de veranderde opvatting van de VVD ten aanzien van

toetsing door de rechter aan internationale grondrechten een reden te

meer om het debat opnieuw aan te gaan en de behandeling van dit

wetsvoorstel voort te zetten.

De leden van de D66-fractie waren benieuwd of ik in de ontwikkelingen

die zich sinds indiening in 2002 [2]hebben voorgedaan aanleiding zie om

mijn wijzigingsvoorstel te heroverwegen of dat ik mij juist gesterkt zie in

mijn opvatting. Met hetgeen in de voorgaande paragrafen over de

ontwikkelingen omtrent constitutionele toetsing is geschreven, vertrouw

ik erop deze vraag afdoende te hebben beantwoord. Ik wil graag

benadrukken dat ik mij gesterkt zie in mijn opvatting en daarom des te

meer reden zie om de behandeling van dit wetsvoorstel voort te zetten. Ik

ga dan ook graag uitgebreid in op de in het verslag gestelde vragen en

opmerkingen van de verschillende fracties.

Gespreide toetsing

De leden van de VVD-fractie wensen allereerst te vernemen waarom in het

wetsvoorstel de keuze is gevallen op gespreide toetsing. Hieronder wordt

verstaan het systeem waarbij iedere rechter bevoegd is om ten aanzien

van elk geschil waarin een grondrecht in het geding is wetten te toetsen

aan de in het wetsvoorstel genoemde bepalingen van de Grondwet.

De keuze voor gespreide toetsing is allereerst gemaakt omdat dit aansluit

bij het bestaande rechtsstelsel waarbij iedere rechter lagere rechtsnormen

toetst op verenigbaarheid met hogere rechtsnormen. Daarbij gaat het om

zowel lagere regelgeving die getoetst wordt aan de Grondwet als om

formele en materiële wet- en regelgeving die getoetst worden aan – kort

gezegd – internationaal recht. Zoals bekend is reeds lange tijd de toetsing

van nationale wetgeving aan een ieder verbindende verdragsbepalingen

10

Kamerstukken II

2013/14, 33 359, nr. 6.

11

Dit wordt onderkend door de Raad van State en Raad voor de rechtspraak in hun adviezen,

respectievelijk:

Kamerstukken II

2013/14, 33 359, nr. 6 en Advies Voorstel van rijkswet van het

lid Taverne, Raad voor de rechtspraak, 17 mei 2013.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8 5

 

(met name die van het EVRM) een aan iedere rechter toekomende

verplichting. Dit systeem van toetsing aan internationaal recht functio-

neert volgens een brede opvatting goed. Dit maakt de keuze voor

gespreide toetsing logisch en dit valt dan ook het beste in te passen in het

huidige rechtsbestel en de rechterlijke organisatie. Het is tijdelijk mogelijk

dat rechters tot verschillende uitspraken zullen komen inzake de interpre-

tatie van grondrechten. Rechtsonzekerheid door verschillende uitkomsten

van rechterlijke oordelen is echter inherent aan de rechterlijke arbeid en

speelt op alle terreinen van het recht, niet alleen daar waar de grond-

rechten in het geding zijn. Ook waar deze wel in het geding zijn, bijvoor-

beeld bij toetsing aan het EVRM, leidt dit zelden tot bezwaarlijke situaties.

De ervaringen met gespreide toetsing aan het EVRM zijn daarentegen

over het algemeen positief te noemen. Uit rechtsvergelijkend onderzoek

blijkt verder dat de invoering van gespreide toetsing in andere landen niet

heeft geleid tot meer rechtsonzekerheid.

12

Op basis van deze overwe-

gingen ligt de keuze voor geconcentreerde toetsing in de vorm van een

constitutioneel hof dan ook niet voor de hand. Daarmee zou men als het

ware twee stelsels naast elkaar introduceren: terwijl voor de toetsing aan

internationaal recht het systeem van gespreide toetsing in stand wordt

gelaten, zou voor constitutionele toetsing een systeem van geconcen-

treerde toetsing worden ingevoerd. Dat zou een spagaat in de rechterlijke

competentie kunnen opleveren die de rechterlijke macht én de rechts-

pleging kan ontwrichten. Daarbij moet worden bedacht dat als een

internationaal grondrecht in het geding is, dat in veel gevallen ook geldt

voor een constitutioneel grondrecht van gelijke strekking en vice versa.

Het bestaan van verschillende stelsels voor enerzijds nationale grond-

rechten en anderzijds internationale grondrechten kan leiden tot compe-

tentiegeschillen. In België bijvoorbeeld, waar een constitutioneel hof

relatief recent is ingevoerd, zijn dergelijke bevoegdheidsgeschillen

ontstaan tussen het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof. Het

verdient derhalve de voorkeur voor beide toetsingsgronden hetzelfde

toetsingsstelsel te hanteren.

Ook wordt er vaak gewezen op het feit dat een constitutioneel hof het

risico van gepolitiseerde benoemingen met zich meebrengt, getuige de

ervaringen in bijvoorbeeld Frankrijk. De toetsingsbevoegdheid bevindt

zich dan immers in handen van een beperkte groep rechters die

vervolgens in eerste en enige instantie de Grondwet interpreteren.

Daardoor komen deze rechters onder een vergrootglas te liggen en wordt

hun benoeming een beslissing van groot politiek belang. Ik beschouw dit

als onwenselijk.

Daarnaast zou een stelsel van geconcentreerde toetsing de rechtsgang

waarschijnlijk aanzienlijk vertragen. Ieder rechtsgeding waarin een

toetsingsvraagstuk aan de orde komt, zou dan moeten worden onder-

broken teneinde die toetsing bij de bevoegde instantie te doen plaats-

vinden. Niet alleen vanuit het oogpunt van rechtsbescherming, maar ook

vanuit het oogpunt van snelle en efficiënte rechtspraak is dat ongewenst.

In het geval van spoedprocedures zou dat zelfs tot een onaanvaardbare

verlenging kunnen leiden. Op grond van het bovenstaande ben ik van

mening dat gespreide toetsing het beste aansluit bij het huidige rechts-

bestel en de meest voor de hand liggende wijze is waarop adequate

grondrechtenbescherming voor de individuele burger gerealiseerd kan

worden.

Rechtseenheid en rechtszekerheid

In het kader van deze keuze voor gespreide toetsing vroegen de leden van

de VVD-fractie of daardoor niet de mogelijkheid ontstaat dat rechters

12

W. van der Woude, L.F.M. Verhey & Ph. Kiiver,

Institutionele aspecten van constitutionele

toetsing

, Deventer: Kluwer 2012, p. 32.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

straks uiteenlopende uitspraken zullen doen. Na de eventuele aanvaarding

van dit wetsvoorstel is het mogelijk dat rechters tot verschillende

interpretaties van een grondwettelijk grondrecht zullen komen. Dat geldt

echter niet alleen voor interpretaties van dergelijke grondrechten, maar

voor wetsinterpretaties in het algemeen. Tot op heden is dat, noch ten

aanzien van de wetsinterpretatie, noch ten aanzien van de al bestaande

constitutionele toetsing en toetsing aan verdragen reden geweest de

rechterlijke organisatie anders in te richten. Uitgangspunt van de

rechterlijke macht is immers het streven naar rechtszekerheid en

rechtseenheid. Daarbij hebben de diverse hoogste rechtscolleges (de

Hoge Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de

Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfs-

leven) een corrigerende werking ten aanzien van lagere rechters en ten

aanzien van elkaar. De leden van de fractie van de VVD wierpen in dat

verband de vraag op of er naast deze algemene waarborg geen nadere

rechtseenheidsvoorzieningen gecreëerd zouden moeten worden in geval

van gespreide constitutionele toetsing. Hierbij moet worden opgemerkt

dat het huidige rechtsbestel reeds beschikt over dergelijke rechtseen-

heidsvoorzieningen. Zo is recentelijk de mogelijkheid van een prejudiciële

procedure bij de Hoge Raad in het leven geroepen. Daardoor kan iedere

rechter in geval van twijfel omtrent de interpretatie van wet- en regel-

geving een relevante rechtsvraag aan de Hoge Raad voorleggen alvorens

tot een definitieve uitspraak te komen.

13

Hiermee kan dan ook worden

voorkomen dat er geruime tijd onzekerheid bestaat over de inhoud en

reikwijdte van grondrechtelijke bepalingen. De volledige rechtsgang hoeft

dan immers niet meer doorlopen te worden. Daarnaast bestaat er ook een

ongeschreven rechtseenheidsvoorziening in de vorm van informeel

overleg tussen de verschillende hoogste rechtsorganen. Het is bekend dat

de leden van bijvoorbeeld de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrecht-

spraak van de Raad van State contentieuze rechtskwesties met elkaar

bespreken en zo hun rechtsopvattingen op elkaar afstemmen. Verder

moet hier gewezen worden op het feit dat met name de hoogste bestuurs-

rechters regelmatig «van plek wisselen». Men denke bijvoorbeeld aan een

rechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die

eerder werkzaam is geweest bij de Centrale Raad van Beroep. Bovendien

zijn de voorzitters en presidenten van de bestuursrechtelijke Colleges

doorgaans ook plaatsvervangers in andere Colleges. Zodoende vindt er

tussen deze magistraten een constante uitwisseling van ervaring en

expertise plaats. Een rechter bij een bepaald college weet dan uit hoofde

van zijn vorige functie immers hoe zijn collega’s bij dat andere college

over een bepaalde rechtsvraag denken. Daardoor is het eenvoudigweg

waarschijnlijker dat deze rechter zijn oordeel in overeenstemming zal

brengen met de elders heersende rechtsopvattingen.

Uiteraard kan ondanks bovengenoemde waarborgen volledige rechts-

eenheid nooit helemaal geboden worden. Men denke bijvoorbeeld aan de

SGP-zaak waarin de eerder genoemde colleges tot uiteenlopende

conclusies kwamen. Hoewel dat misschien een onwenselijke situatie is,

leidde dat in deze concrete casus overigens niet tot onaanvaardbare

gevolgen op het gebied van rechtseenheid. Daarnaast lijkt het hier te gaan

om een uitzondering aangezien talloze andere precaire rechtsvragen op

dezelfde wijze worden beantwoord door de verschillende organen. De

conclusie is dan ook dat het huidige bestel goede waarborgen biedt voor

een gedeeltelijke opheffing van het toetsingsverbod. Een nadere

rechtseenheidsvoorziening wordt naar mijn mening dan ook niet nodig

geacht teneinde dit wetsvoorstel te kunnen invoeren. In dat kader zij ook

opgemerkt dat het aantal wetten dat buiten toepassing gelaten kan

worden en het aantal instanties dat die wetten buiten toepassing kan laten

13

Zie artikel 81a van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 392 e.v. van het Wetboek

van Burgerlijke Rechtsvordering.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

niet verandert. Het enige wat verandert, zijn de argumenten die kunnen

leiden tot het buiten toepassing laten.

Ook de leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over de

invloed van het wetsvoorstel op de rechtszekerheid. Zo vragen zij naar de

werking van een wet, wanneer tegen diezelfde wet, of bepaalde artikelen

van die wet, een toetsingsprocedure loopt. Zij vragen zich af of de wet dan

onverkort kan worden uitgevoerd conform het oordeel van de wetgever of

dat er dan de facto sprake is van opschorting totdat de procedure is

afgerond. Voorts vragen zij wat het gevolg is van bijvoorbeeld het

onverbindend verklaren van een wetsbepaling. Wordt de wetgever zo niet

gedwongen tot aanpassing van het wetsartikel of heeft hij de mogelijkheid

de rechterlijke uitspraak naast zich neer te leggen, zo vragen genoemde

leden.

De rol van de rechter is, zodra constitutionele toetsing mogelijk wordt, een

beperkte. De inzet is altijd een concreet geschil tegen de achtergrond van

de aan de orde zijnde wetsbepaling(en). Zoals hiervoor reeds is besproken

oordeelt de rechter niet over de eventuele strijdigheid van een wet met de

Grondwet in zijn algemeenheid, maar beoordeelt de rechter de vraag of

een bepaalde wijze van toepassing van een wetsbepaling of meerdere

wetsbepalingen in het concrete geval toelaatbaar moet worden geacht.

Een rechterlijk oordeel van de civiele rechter geldt alleen tussen de

procespartijen. Het oordeel dat een wetsbepaling buiten toepassing dient

te blijven, betekent dus dat die wetsbepaling slechts in het concrete geval

niet van toepassing kan zijn. Dat betekent niet dat de betreffende bepaling

in het algemeen haar gelding heeft verloren. Ook betekent het niet dat de

wet heeft opgehouden te bestaan. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van

onverbindendverklaring. Met «onverbindendverklaren» wordt bedoeld dat

de (civiele, bestuurs- of straf)rechter in zijn vonnis constateert dat een

wettelijk voorschrift ongeldig is wegens strijd met een hogere norm

14

.

Bovendien kan de rechterlijke uitspraak van de civiele rechter niet

automatisch met terugwerkende kracht veranderingen teweeg brengen in

situaties van anderen. De wet en de rechtsgevolgen die deze tot dan toe

heeft gehad worden niet teniet gedaan. Degenen die menen in dezelfde

omstandigheden te verkeren, dienen zich eveneens tot de civiele rechter

te wenden voor een rechterlijk oordeel. Dat geldt ook als de wetgever naar

aanleiding van de rechterlijke uitspraak reden ziet de wet aan te passen of

te veranderen. De uitspraak van de rechter blijft immers voor de proces-

partijen gelden, ook als de wetgever nadien de wet heeft aangepast.

Tijdens het eventuele nieuwe wetgevingsproces bestaat aldus geen

vacuüm. Vanzelfsprekend is een uitspraak nog niet definitief als daartegen

nog een rechtsmiddel open staat. De enkele mogelijkheid van constituti-

onele toetsing door de rechter doet aan de algemene gelding van een wet

dus niet af. Dat zou een miskenning van de taak van de wetgever en de

complementaire rol van de rechter zijn. Wanneer tegen bepaalde

wetsbepalingen een toetsingsprocedure loopt, kan de wet derhalve

onverkort worden uitgevoerd conform het oordeel van de wetgever.

De rechter dient wetsbepalingen zoveel mogelijk grondwetsconform uit te

leggen. Zoals reeds eerder is benadrukt, stelt de rechter zich volgens de

Nederlandse rechtstraditie terughoudend op en hecht hij grote waarde

aan de interpretatie van de wetgever. De rechter is zich terdege bewust

van het primaat van de wetgever. Dit neemt niet weg dat de rechter in een

concreet geval tot een andere interpretatie kan komen dan de wetgever

aanvankelijk heeft bedoeld. Indien de rechter oordeelt dat sprake is van

strijdigheid met de Grondwet, kan de aan de orde zijnde wetsbepaling

buiten toepassing worden gelaten. In dat geval heeft de wetgever te allen

tijde de mogelijkheid om de wet aan te passen of te veranderen. Dit hoeft

vanuit het oogpunt van de wetgever natuurlijk niet altijd bezwaarlijk te

zijn. Het kan echter voorkomen dat de rechter tot een interpretatie komt

14

R.J.B. Schutgens,

Onrechtmatige wetgeving

, Deventer: Kluwer, 2009, p. 9.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

die de wetgever niet wenselijk acht. Ook dan staat het de wetgever vrij om

de wet te wijzigen. Of en op welke wijze de wetgever gevolg wil geven

aan een rechterlijke beslissing is en blijft een politieke vraag. De wetgever

wordt in principe dus niet gedwongen tot aanpassing van het wetsartikel,

maar zal zich in bepaalde gevallen genoodzaakt zien om de wetgeving

naar zijn wens aan te passen. Dat de wetgever soms geen gebruik maakt

van de mogelijkheid van wetswijziging is naar mijn mening geen

steekhoudend argument tegen constitutionele toetsing door de rechter. De

rechter beïnvloedt de interpretatie van de nationale grondrechten door de

wetgever reeds door toetsing aan van lagere regelgeving aan de

Grondwet en rechterlijke uitspraken waarin internationale grondrechten

worden geïnterpreteerd. Echter meer dan nu het geval is, zal de interpre-

tatie van grondrechten door invoering van constitutionele toetsing door

de rechter in dialoog tussen wetgever en rechter worden vastgesteld. De

wetgevende macht en de rechterlijke macht kunnen elkaar wederzijds

versterken. Het initiatief tot het opheffen van een geconstateerde

strijdigheid, tot het schrappen dan wel wijzigen van de in het geding

zijnde wetsbepaling(en) of in het uiterste geval de Grondwet, blijft echter

te allen tijde primair bij de wetgever. Hierbij dient opgemerkt te worden

dat de wetgever meer ruimte heeft om corrigerend op te treden tegen

rechterlijke uitspraken over nationale grondrechten dan tegen rechterlijke

uitspraken over internationale grondrechten. Het wijzigen van de

Grondwet verloopt weliswaar volgens een zware procedure, maar dit is

beslist eenvoudiger dan het wijzigen van een (mensenrechten)verdrag.

Verhouding met verdragsbepalingen en het EHRM

De PvdA-fractie vraagt of met de invoering van constitutionele toetsing de

gang naar Straatsburg mogelijk blijft. Aangezien dit inderdaad het geval

is, zal ik met name uitgebreid ingaan op de vraag van genoemde leden of

daarmee het EHRM in voorkomende gevallen dan niet alsnog het laatste

woord houdt en wat daarmee de meerwaarde is van de toetsing aan de

Grondwet.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechterlijke toetsing aan de

Grondwet afgebakend dient te worden van andere toetsingsvormen. De

gang naar het EHRM blijft gewoon bestaan met de invoering van

constitutionele toetsing. Eén van de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor

het individu die in artikel 35 EVRM wordt genoemd is dat de nationale

rechtsmiddelen uitgeput zijn. Het is dan niet van belang of tijdens de

nationale procedure sprake is geweest van constitutionele toetsing. Ook is

het niet noodzakelijk dat in de nationale procedure expliciet een beroep op

een artikel uit het EVRM is gedaan. Voldoende is dat een individu beroep

heeft gedaan op een grondrecht dat ook aanwezig is in het EVRM.

Als uitgangspunt wordt genomen dat toetsing aan de Grondwet op

onderdelen tot een betere rechtsbescherming zal leiden. Op grond van

artikel 53 EVRM bevat het verdrag namelijk minimumnormen, die niet

mogen worden gebruikt om mensenrechten uit andere bronnen restrictief

uit te leggen. De toetsing aan de Grondwet heeft een andere inhoud en

aard dan toetsing aan het EVRM. Enerzijds staan er bepaalde rechten in de

Grondwet die niet in het EVRM voorkomen, zoals het petitierecht.

Anderzijds staan er ook rechten in het EVRM die niet terug te vinden zijn

in onze Nederlandse Grondwet, zoals het recht op leven en het recht om

te huwen. Daarnaast verschillen de grondrechten ook qua formulering. Zo

worden de grondrechten in het EVRM doorgaans ruimer geformuleerd

met het oog op de toepassing in veel verschillende landen. Dit zorgt in

bepaalde artikelen voor verschillen. Zo is het eerste artikel van onze

Grondwet, waarin het recht op gelijke behandeling wordt uitgedrukt,

anders geformuleerd dan artikel 14 EVRM of het twaalfde protocol bij het

EVRM. Bovendien verschilt ook het beperkingssysteem van de grond-

rechten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de Nederlandse

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

Grondwet op bepaalde punten meer waarborgen kent bij de beperking

van grondrechten dan het EVRM. Zo is de Grondwet scherper in haar

bevoegdheidstoedeling. Aan de andere kant zijn in het EVRM vaak

scherpere doelcriteria te vinden die in de Nederlandse Grondwet minder

vaak en minder scherp geformuleerd voorkomen. Wel kent de Neder-

landse Grondwet enkele extra waarborgen die niet in het EVRM terug te

vinden zijn, zoals het censuurverbod van artikel 7 en de procedurele eisen

omtrent de bescherming van het briefgeheim van artikel 13. Met de

invoering van constitutionele toetsing ontstaat de mogelijkheid voor de

burger om een beroep te doen op de meest vergaande wets- en uitzonde-

ringsbepalingen van Europese maar daarnaast ook nationale grond-

rechten, hetgeen leidt tot een verbetering van de grondrechtenbe-

scherming.

Het EVRM zorgt voor de waarborging van het minimumniveau van

grondrechtenbescherming. Hoewel onze Grondwet op onderdelen verder

reikt dan het EVRM, achten Nederlandse rechters zich door het toetsings-

verbod tot navolging van de interpretaties in Straatsburg gedwongen.

Ook bij lagere regelgeving valt bij de rechter terughoudendheid te

constateren vanwege het toetsingsverbod en het besef van zijn plaats in

ons staatsbestel. De grenzen die het EHRM aangeeft, waaronder de

margin of appreciation

, worden door Nederlandse rechters in hun

jurisprudentie overgenomen. Dit heeft tot gevolg dat onze Grondwet

steeds meer door het EVRM wordt vervangen, waardoor het toetsings-

verbod in de Nederlandse Grondwet verwordt tot anomalie.

15

Het EHRM

benadrukt echter geregeld het subsidiaire karakter van de internationale

grondrechtenbescherming. Eerst en vooral moet op nationaal niveau

effectieve rechtsbescherming worden georganiseerd. Het mogelijk maken

van een beperkte vorm van constitutionele toetsing draagt daar zeker aan

bij. Door het toetsingsverbod missen wij de kans om op nationaal niveau

onze grondrechtenbescherming te ontwikkelen en om rechtsvorming te

creëren ten aanzien van rechten die niet in het EVRM staan of in onze

wetgeving anders zijn geformuleerd.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het EHRM in voorkomende

gevallen toch niet het laatste woord houdt. Het EHRM heeft inderdaad de

bevoegdheid om nationale wetgeving te toetsen, maar hierbij wordt

ruimte gelaten voor bepaalde nationale overwegingen. Dit wordt de

margin of appreciation

genoemd. Hoe ver deze marge reikt, is afhankelijk

van vele verschillende factoren. De marge is bijvoorbeeld kleiner bij

grondrechten die de kern van de democratische rechtsstaat raken.

Daarnaast kunnen bijzondere nationale factoren aanleiding geven om af te

wijken van de Straatsburgse rechtspraak en er zelfs toe leiden dat het

EHRM terugkomt op eerdere oordelen.

Een voorbeeld hiervan speelde zich enkele jaren geleden af in het

Verenigd Koninkrijk. Door het EHRM werd een belangrijk onderdeel van

het Britse bewijsstelsel in strijd verklaard met het EVRM.

16

Gezien de

grote gevolgen die deze uitspraak voor het Verenigd Koninkrijk met zich

zou meebrengen, werd in nationale zaken bepleit dat het EHRM te weinig

rekening had gehouden met het bijzondere common law stelsel van het

Verenigd Koninkrijk en dat met een dergelijke uitspraak de Straatsburgse

rechter zijn rechtsvormende taak ver te buiten zou gaan.

17

Vervolgens

honoreerde de Grote Kamer van het EHRM enkele argumenten van de

Britse rechters en trad daarmee in dialoog met de nationale rechtspre-

kende macht van het Verenigd Koninkrijk.

18

Aangezien het EHRM een stap

terug deed en rekening hield met de heersende nationale opvatting kon

15

Zie bijvoorbeeld: N. Jak en J. Vermont (2007), «De Nederlandse rechter en de margin of

appreciation,

NJCM-Bulletin

, 32(2), p. 125–141.

16

EHRM 20 januari 2009, nr. 26766/05 en nr. 22228/06 (

Al-Kwhawaja & Tahery v. UK

).

17

UKSC 9 december 2009 [2009] UKSC 14 (

R. v. Horncastle

), per Lord Phillips.

18

EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05 en nr. 22228/06 (

Al-Kwhawaja & Tahery v. UK)

.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

het Verenigd Koninkrijk blijven vasthouden aan haar eigen nationale

bewijsstelsel.

Een ander voorbeeld waarin de nationale rechter een andere afweging

van grondrechten maakte en daaraan vasthield, vormen de zaken die

Prinses Caroline von Hannover tegen Duitsland had aangespannen.

19

In

deze zaken stonden botsende grondrechten, namelijk het recht op privacy

en het recht op vrijheid van meningsuiting, centraal. In Duitsland wordt

veel waarde gehecht aan de vrijheid van meningsuiting waardoor daar

een andere belangenafweging werd gemaakt dan bij het EHRM. Toen

Duitsland aan dit standpunt bleef vasthouden, trad de Straatsburgse

rechter in dialoog met de nationale rechter en hield zij uiteindelijk

rekening met dit expliciete Duitse standpunt.

20

Uit het voorgaande kan

worden afgeleid dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden rekening

houdt met specifieke nationale omstandigheden en de dialoog met de

nationale wetgever niet ontwijkt. Wanneer de Nederlandse rechter aan de

bepalingen van de Grondwet gaat toetsen, kan dit ertoe leiden dat de

Straatsburgse rechter meer rekening zal houden met de Nederlandse

rechtspraktijk. Zo kan de Nederlandse rechter dus leidend zijn in zijn

uitspraken in plaats van dat hij gedwongen wordt tot slaafse navolging

van Straatsburgse rechtspraak.

Naar mijn mening heeft de invoering van constitutionele toetsing zeker

meerwaarde. De constitutionele toetsing moet niet worden gezien als

vervanging of doublure van de procedure in Straatsburg, maar als een

complementaire vorm van rechtsbescherming voor de burger. Zeker in de

gevallen waarin de Nederlandse Grondwet in verdergaande rechtsbe-

scherming voorziet, is het voor het individu van toegevoegde waarde

wanneer hij zich hierop in een procedure voor de nationale rechter kan

beroepen. Deze procedure zal daarnaast een stuk sneller, goedkoper en

dichter bij huis plaatsvinden dan de procedure in Straatsburg, waardoor

de toegang tot grondrechtenbescherming wordt verbeterd. Zelfs wanneer

de Nederlandse rechter terughoudend zal toetsen, zal het individu een

betere bescherming genieten dankzij de verdergaande bepalingen waarin

met de specifieke nationale omstandigheden rekening wordt gehouden.

Ik wil niet beweren dat Straatsburg nooit meer het laatste woord zal

hebben, maar wel kan door een goede nationale procedure van grond-

rechtenbescherming het aantal Nederlandse zaken minder en de

margin

of appreciation

breder worden. Ook andere lidstaten worden wel eens op

de vingers getikt, maar dat is voor deze landen geen reden geweest om de

meerwaarde van constitutionele toetsing te ontkennen. Tot slot zijn de

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Raad voor de rechtspraak

van mening dat de invoering van het toetsingsrecht naast het reeds

bestaande toetsingsrecht aan het EVRM er niet toe zal leiden dat de

internationale rechtseenheid in gevaar komt, onder andere aangezien de

lidstaten vrij zijn om op nationaal niveau een hogere standaard te

hanteren.

21

De leden van de SGP-fractie hebben ook vragen gesteld omtrent de

verhouding tussen grondwetsartikelen en verdragsbepalingen in geval

van constitutionele toetsing. In dat kader wensen zij te vernemen hoe de

rechter in de praktijk moet bepalen welke van de twee de voorkeur dient

te hebben. Het gaat dan ook mede om de vraag of de meest of de minst

vergaande uitzonderingsgronden op het grondrecht gevolgd moeten

worden. Ten eerste moet worden opgemerkt dat de rechtszoekende

uiteraard recht heeft op de meest omvangrijke rechtsbescherming die

hem ter beschikking is gesteld.

22

In dat verband is het zo dat per grond-

19

EHRM 14 juni 2004, nr. 59320/00

(Von Hannover v. Germany (1))

.

20

EHRM 7 februari 2012, nr. 40660/08

(Von Hannover v. Germany (2))

.

21

Kamerstukken II

2002/03, 28 331, nr. 6.

22

In art. 53 EVRM wordt deze norm ook tot uitdrukking gebracht. Dit ligt wat gecompliceerder in

geval van het EU-Grondrechtenhandvest, vgl. HvJ Mellnoi en HvJ Akerberg.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

recht moet worden bezien welke bepaling de meeste bescherming biedt

of, anders geformuleerd, welke uitzonderingsgrond het minst vergaand is.

Deze bepaling kan zowel een grondwetsartikel als een verdragsbepaling

zijn. De leden van de SGP-fractie wijzen er terecht op dat formuleringen

van grondwetsartikelen en verdragsbepalingen, en van de uitzonderings-

gronden die erin worden genoemd, niet in alle gevallen parallel lopen.

Daarop kan worden aangevuld dat er niet in zijn algemeenheid geconclu-

deerd kan worden dat ofwel de grondwetsbepalingen ofwel verdragen

(zoals het EVRM) altijd de meeste rechtsbescherming bieden. Dat hangt

steeds af van de specifieke casus. Kortom, de rechter zal steeds bezien

welke bepaling de meeste bescherming biedt.

Primaat van de wetgever

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat als argument tegen

constitutionele toetsing wordt aangevoerd dat de rechter daarmee als het

ware op de stoel van de wetgever gaat zitten. De wetgever wordt immers

bij de totstandkoming van wetten al geacht deze op verenigbaarheid met

de Grondwet te toetsen. De leden vragen naar aanleiding daarvan of de

wetgever zijn rol ten aanzien van constitutionele toetsing in de praktijk

optimaal vervult en, indien dit niet het geval is, op welke wijze dit naar

mijn mening zou kunnen worden verbeterd. Ook de leden van de

SGP-fractie vragen naar de manier waarop de toetsing door de wetgever

als gevolg van het beëindigen van het toetsingsverbod voor de rechter

beter kan functioneren. Daarbij vragen ze naar mijn visie op de te

verwachten effecten van gedeeltelijke opheffing van het toetsingsverbod

op de zorgvuldigheid van de parlementaire toetsing van wetten aan de

Grondwet.

In reactie op deze vragen stel ik graag voorop dat het huidige systeem van

constitutionele toetsing door de wetgever gedurende de procedure van

totstandkoming van de wet behoorlijk functioneert. In het huidige

constitutionele stelsel worden wetten vastgesteld door de aan de

Grondwet gebonden regering en Staten-Generaal gezamenlijk via een met

de nodige waarborgen omkleed wetgevingsproces. De wetgever dient de

verenigbaarheid van een wetsvoorstel met de Grondwet te toetsen en

moet erop toezien dat de wet conform het grondwettelijk voorgeschreven

proces tot stand komt. De beoordeling van de grondwettigheid van een

wet komt dus in de eerste plaats toe aan de wetgever. Een openbaar debat

met de beslissing van de regering en de Staten-Generaal biedt hiervoor

democratische waarborgen. Het kan de wetgever over het algemeen niet

worden verweten dat tijdens het wetgevingsproces te weinig aandacht

wordt besteed aan grondrechten. Dit gaat echter veelal om grondrechten

uit het EVRM en te weinig om grondrechten uit onze nationale Grondwet.

Opgemerkt zij ook dat zeer uiteenlopende maatschappelijke en politieke

belangen onder meer bijdragen tot de materiële inhoud van een

wetsvoorstel en dat de parlementaire procedure met name politiek van

aard is. Hierbij wil ik wijzen op een aantal meer algemene politicologische

ontwikkelingen die in de wetenschap en het parlement nauwelijks worden

betwist, zoals de toegenomen betekenis van regeerakkoorden (en de

overige akkoorden), coalitietrouw en fractiediscipline. De toetsing door de

wetgever kan echter zeer beslist niet achterwege worden gelaten of

minder zorgvuldig worden uitgevoerd indien rechterlijke toetsing wordt

ingevoerd.

De constitutionele toetsing door de wetgever kent wel een aantal

beperkingen waardoor toepassing van de wet onbedoeld in strijd kan zijn

met de Grondwet. De bestaande praktijk van verdragstoetsing biedt

hiervan enkele voorbeelden. Dit hangt samen met het feit dat de wetgever

de grondwettigheid van een wet voorafgaand aan de inwerkingtreding

beoordeelt en dus slechts in abstracto toetst. Het is bovendien de taak van

de wetgever om het collectieve belang te vertegenwoordigen. Zelfs indien

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

het wetgevingsproces zeer zorgvuldig en met voldoende aandacht voor

de Grondwet plaatsvindt, is het voor de wetgever gezien de aard van zijn

taak onmogelijk om voor ieder individueel geval de betekenis, toepassing

en uitwerking van de wet te voorzien en vooraf vorm te geven. Het is dan

ook niet uitgesloten dat de wetgever door het algemene karakter van

wetgeving niet voorziet dat de toepassing van een wet in een concreet

geval strijdig kan zijn met de Grondwet. De wet kan in een individueel

geval een tegengesteld en zelfs onbillijk effect hebben. Daarbij komt dat

de wetgever op voorhand evenmin rekening kan houden met verande-

rende maatschappelijke opvattingen en eventuele toekomstige ontwikke-

lingen. De uitleg van wetten en de Grondwet ontwikkelt zich geleidelijk.

De wetgever kan een alleszins gerechtvaardigde uitleg van een wet

beoogd hebben, die nadien in concrete gevallen tot een onrechtvaardige

uitkomst leidt. Hoewel de wetgever tijdens de totstandkoming van de wet

de verenigbaarheid met de Grondwet toetst, kan het dus voorkomen dat

deze toets niet toereikend is. Constitutionele toetsing door de rechter kan

in die gevallen de toetsing door de wetgever aanvullen. De rechterlijke

toetsing is namelijk anders van aard dan de constitutionele toetsing door

de wetgever. De rechter toetst na inwerkingtreding van de wet op grond

van rechtmatigheidscriteria of toepassing van de wet in een concreet

geval verenigbaar is met de Grondwet. Kortom, een belangrijke

meerwaarde is dat de rechter, anders dan de wetgever, rekening kan

houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval.

Het wetsvoorstel komt zeker niet voort uit een gebrek aan vertrouwen in

de wetgever. De constitutionele toetsing door de wetgever in abstracto

functioneert naar mijn mening goed, maar ik acht de constitutionele

toetsing door de rechter in concreto wenselijk en nodig in aanvulling

daarop. Invoering van rechterlijke toetsing doet niets af aan het belang en

de noodzaak van de toetsing in de fase van de totstandkoming van de

wet. De rechterlijke toetsing is zoals hiervoor uiteengezet van een andere

orde en kan alleen daarom al de beoordeling van de wetgever niet

vervangen. Zowel de wetgever als de rechter spelen een rol bij de

bescherming van grondrechten, maar de rollen verschillen van elkaar.

Zoals hiervoor reeds benadrukt is, ziet het wetsvoorstel niet op een

verandering van de rol van de wetgever ten aanzien van constitutionele

toetsing. Constitutionele toetsing door de wetgever kan naar mijn mening

beslist niet minder zorgvuldig worden uitgevoerd indien rechterlijke

toetsing wordt ingevoerd. Ik verwacht van de wetgever dat hij ook na de

invoering van het nieuwe artikel 120 lid 2 van de Grondwet adequaat

aandacht blijft besteden aan de constitutionele toetsing en dat de

parlementaire stukken en debatten blijk geven van een dergelijke zorg.

Verwacht kan misschien zelfs worden dat de wetgever, wetende dat de

rechter zeer veel waarde hecht aan zijn grondwetsinterpretatie, juist méér

zorgvuldigheid betracht en méér aandacht besteedt aan de grondwette-

lijke aspecten van zijn wetgeving. Hoewel het wetsvoorstel geen veran-

dering in de rol van de wetgever beoogt, meen ik wel dat het in het

algemeen kan leiden tot een versterking van het constitutionele besef en

de parlementaire controle op de grondwettigheid van wetgeving. Dit blijkt

onder meer uit het feit dat de wetgever in de praktijk bij de totstand-

koming van wetten uitgebreid aandacht besteedt aan de verenigbaarheid

met het EVRM, wetende dat de nationale rechter of het EHRM hier

daadwerkelijk aan zal toetsen.

Naar mijn mening moeten alle mogelijkheden om de kwaliteit van

wetgeving te verbeteren worden benut. Constitutionele toetsing door de

rechter biedt geen garantie voor een beter functionerende wetgever. Dit

heeft de wetgever immers zelf in de hand. Rechterlijke toetsing kan echter

wel bijdragen aan een groter publiek bewustzijn van het belang van de

Grondwet. Overigens betwist het wetsvoorstel niet dat de wetgever al het

nodige doet om optimaal te functioneren. Het omvat een beperking van

het toetsingsverbod voor de rechter en dat impliceert geenszins een

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8 13

 

toetsingsverbod voor de wetgever. Bovendien maakt een verbetering van

het functioneren van de wetgever ten aanzien van constitutionele toetsing

de aanvullende toetsing door de rechter niet overbodig. Over suggesties

voor verbetering van de grondwetstoetsing door de wetgever, zou ik dan

ook graag op een ander moment meedenken. Ik beperk mij in deze

schriftelijke beantwoording graag tot de behandeling van het wetsvoorstel

inhoudende de invoering van aanvullende constitutionele toetsing door

de rechter.

Een andere vraag aangaande het primaat van de wetgever komt van de

leden van de CDA-fractie. Zij beseffen dat toetsing beperkt blijft tot een

aantal grondrechten in de Grondwet, maar in hun ogen vindt hiermee een

onwenselijke verschuiving van het primaat van de wetgever naar een

wijze van rechtsvorming door de onafhankelijke rechterlijke macht plaats.

De leden vragen naar concrete voorbeelden waarmee deze verschuiving

gelegitimeerd wordt.

Constitutionele toetsing tast het primaat van de wetgever niet aan, maar

het versterkt juist de balans binnen de trias politica. Afgaande op de

ervaringen in andere Europese landen kan niet geconcludeerd worden dat

er ingrijpende verschuivingen plaatsvinden. De bevoegdheid van de

rechter verandert, maar dit tast het primaat van de wetgever niet aan. Het

is geschreven vanuit de verschillende rollen die wetgever en rechter in

onze trias politica hebben. In het wetsvoorstel is slechts bedoeld om de

verhouding tussen de wetgever en de rechter meer evenwichtig te maken

uit een oogpunt van

checks and balances

. De rechter oordeelt niet in

abstracto, maar beoordeelt met name de vraag of een bepaalde wijze van

toepassing in het concrete geval toelaatbaar moet worden geacht. Het

gaat hierbij om beslechting van rechtsvragen waarbij de rechter louter

juridische afwegingen maakt. Hieruit blijkt bovendien het andere en

aanvullende karakter van de constitutionele toetsing door de rechter. De

rechter is hierbij onafhankelijk, onpartijdig en zal gezien de Nederlandse

rechtstraditie een grote mate van terughoudendheid betrachten. De

rechter zal aan de weloverwogen toetsing en de gegeven interpretatie

door de wetgever gedurende het wetgevingsproces grote waarde

toekennen en zal wetsbepalingen dan ook zo veel als mogelijk grondwets-

conform uitleggen. Daarbij is van belang in hoeverre die interpretatie

eenduidig, gemotiveerd en actueel is. Waar de wetgever hier minder

aandacht aan heeft besteed, zal de rechter meer invulling en uitleg geven.

Uit de rechtspraak over de toetsing van wetgeving blijkt dat de rechter

zich terdege bewust is dat het primaat van rechtsvorming dient te

berusten bij de democratisch gelegitimeerde wetgever. Tot nu toe hebben

rechters bij verdragstoetsing dan ook niet getreden in het politieke

primaat van de wetgever en ook bij lagere regelgeving tasten de Hoge

Raad en de hoogste bestuursrechters het primaat van de wetgever niet

aan.

In dit wetsvoorstel blijft het primaat bij de wetgever. De wetgever toetst

als eerste voorafgaand aan de inwerkingtreding en daarmee abstract de

grondwettigheid van wetten. Na deze totstandkomingsfase zou een

rechter in een concreet geval toch kunnen oordelen dat toepassing van

een wetsbepaling in strijd is met een beperkt aantal artikelen van de

Grondwet. In dat geval kan de rechter de betreffende wetsbepaling buiten

toepassing laten. Daarna is het woord opnieuw aan de wetgever die moet

besluiten of, hoe en wanneer hij de wetsbepaling of in het uiterste geval

de grondwettelijke bepaling aanpast. Het initiatief hiertoe ligt te allen tijde

bij de wetgever. Wel kan ik mij een dialoog tussen rechter en wetgever

voorstellen.

Zoals hiervoor is aangegeven vindt er een lichte verschuiving in de

verhouding tussen de wetgever en de rechter plaats. Reeds eerder hebben

veranderde omstandigheden en opvattingen aanleiding gegeven het

juiste evenwicht tussen de verschillende machten te herijken. In dit

verband wijs ik op de verschuiving in ons constitutionele stelsel die door

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

velen wordt gezien als één van een trias politica naar een duas politica.

Waar de wetgevende macht en de uitvoerende macht steeds meer

verweven zijn geraakt, blijft de rechterlijke macht over als tegenwicht.

Hiermee hangt het toegenomen belang van rechtsbescherming van de

burger tegen de overheid samen. Een ander belangrijk voorbeeld van een

herijking van het evenwicht betreft de invoering van het huidige artikel 94

van de Grondwet. Juist door verdragstoetsing is de wet al niet meer

onschendbaar, zodat toetsing van wetten aan een aantal grondrechten in

de Grondwet geen systematische breuk betekent met de huidige

bevoegdheden van de rechter. De uitbreiding van de bevoegdheid van de

rechter bij constitutionele toetsing is namelijk geen andere dan de

bevoegdheid die de rechter reeds heeft bij verdragstoetsing. Mijn

wetsvoorstel beoogt de grondrechtenbescherming ook op nationaal

niveau te brengen en niet slechts van internationale herkomst te doen zijn.

Daarbij komt dat de rechterlijke uitspraken over onze nationale grond-

rechten voor de wetgever reparabel zijn, omdat zij zijn ingebed in een

nationaal systeem van

checks and balances

. Het staat de wetgever altijd

vrij een hem onwelgevallige ingreep van de rechter te corrigeren met

wetgeving die ook recht doet aan het grondrecht dat volgens de rechter in

het geding is. Bovendien impliceert dit wetsvoorstel consequente

toepassing van de hoofdregel die reeds geldt in de trias politica, te weten

dat lagere normen aan hogere normen mogen én moeten worden

getoetst. De voorgestelde constitutionele toetsing brengt vanwege de

hiervoor benoemde ontwikkeling van het evenwicht tussen de verschil-

lende machten al met al geen wezenlijke verandering in de taken van de

rechter en daarmee ook geen wezenlijke veranderingen in de constituti-

onele verhoudingen. Het wetsvoorstel zorgt voor meer

checks and

balances

om de wetgeving in overeenstemming te houden met de

Grondwet zonder de rechter de plaats van de wetgever te laten innemen.

Het gaat erom te waarborgen dat beide hun onderscheiden rol met

betrekking tot de bescherming van grondrechten behoorlijk vervullen en

daarin zijn zij complementair.

De leden van de VVD-fractie vragen zich voorts af hoe kan worden bereikt

dat de rechter terughoudender toetst nu de wetgever al goed en uitge-

breid toetst aan de Grondwet. Hierbij kan worden aangetekend dat de

Nederlandse rechter traditioneel een terughoudende plaats inneemt in

ons rechtsbestel. Dat is door Hoge Raad ook in verschillende arresten tot

uitdrukking gebracht. Het is belangrijk om hierbij op te merken dat deze

traditionele terughoudendheid een zelfstandige plaats inneemt ten

opzichte van artikel 120 van de Grondwet. Deze terughoudendheid is met

andere woorden niet louter en alleen gebaseerd op het constitutioneel

toetsingsverbod. De jurisprudentie geeft aan dat de rechter zich zeer

bewust is van het feit dat het primaat altijd bij de wetgever behoort te

liggen.

23

Daarom valt ook niet te verwachten dat de rechter na een

gedeeltelijke opheffing van het toetsingsverbod alle teugels zal laten

vieren en volop politieke keuzes zal maken. Dat gebeurde immers ook niet

nadat de mogelijkheid van verdragstoetsing werd ingevoerd. De Hoge

Raad toont ook bij toetsing aan het EVRM buitengewoon veel respect voor

de wetgever.

24

Anders dan het EHRM geeft de Hoge Raad geen aanwij-

zingen of instructies aan de wetgever bij constatering van strijdigheid met

het EVRM.

Het geven van een oplossing wordt aan de wetgever overgelaten en de

rechter grijpt niet in het proces van politieke besluitvorming in. Daarnaast

is tijdens de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel uitvoerig

23

Recente voorbeelden van deze terughoudendheid zijn onder meer de zaak over de langstu-

deermaatregel (Rb. ’s-Gravenhage 11 juli 2012,

LJN

BX0977) en de zaak over het

ESM-noodfonds (Rb. ’s-Gravenhage, 1 juni 2012,

LJN

BW7242).

24

Dit blijkt onder meer uit een recent arrest over navorderingsaanslagen (HR 22 november 2013,

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8971).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

benadrukt dat rechterlijke terughoudendheid in geval van constitutionele

toetsing zeer gewenst is. Dit vormt dan ook een duidelijk signaal naar de

rechter dat de reeds bestaande terughoudendheid gehandhaafd dient te

worden. Aangezien rechters bij de interpretatie van wetgeving altijd kijken

naar de totstandkomingsgeschiedenis vormt een uitgebreide motivering

van de keuzes die door de wetgever zijn gemaakt ook in zijn

algemeenheid een middel waarmee de rechter tot terughoudendheid

gemaand kan worden. Hoe meer de wetgever tijdens de totstandko-

mingsfase aandacht besteedt aan de verhouding met de Grondwet, hoe

terughoudender de rechter zich zal opstellen. De wetgever geeft dan

namelijk duidelijk aan dat hij de mogelijkheid van eventuele strijdigheid

met de Grondwet bestudeerd heeft en tot de conclusie is gekomen dat dit

niet het geval is. Er moeten zich dan wel zeer zwaarwegende gronden

voordoen of er moet sprake zijn van zeer exceptionele gevallen wil de

rechter daar tegenin gaan. De rechter zoekt immers, zoals nu al gebeurt

wanneer strijd met internationaal recht wordt aangevoerd, altijd zoveel

mogelijk aansluiting bij de interpretatie die de wetgever voor ogen heeft

gehad.

Dit wetsvoorstel dient dan ook zeker niet als een blijk van wantrouwen

jegens de wetgever aangemerkt te worden, maar veeleer als een

aansporing om uitgebreid aandacht te besteden aan de Grondwet. Nu ziet

men dat bij de totstandkoming van wetsvoorstellen de verhouding met

het EVRM uitvoerig belicht wordt. Dit is begrijpelijk omdat de nationale of

internationale rechter daadwerkelijk zal toetsen aan het EVRM. In het

geval van strijdigheid met de Grondwet bestaat deze mogelijkheid op dit

moment uiteraard niet. Het gevolg daarvan is dat het EVRM in toene-

mende mate een rol speelt bij de totstandkoming van wetgeving terwijl de

Grondwet als constitutioneel toetsingskader een steeds minder promi-

nente plaats inneemt.

25

Dit wetsvoorstel beoogt dan ook de Grondwet

opnieuw de kern van de parlementaire grondrechtendiscussie te maken.

Naar mijn mening verdient onze eigen grondrechtentraditie, tot

uitdrukking gebracht in de Grondwet, in ieder geval evenveel aandacht als

de grondrechtentraditie die afkomstig is uit internationale verdragen.

De VVD-fractie wil verder weten of het de marginale toetsing is die door

de indiener wordt beoogd. «Marginale toetsing» is een term afkomstig uit

het bestuursrecht en betekent dat de rechter onderzoekt of het bestuur in

redelijkheid tot een bepaalde beslissing heeft kunnen komen. Daarmee

wordt beoogd de discretionaire ruimte van bestuursorganen niet zodanig

te beperken dat de rechter wezenlijk de bestuurlijke verantwoordelijk-

heden overneemt. Eenzelfde soort benadering sta ik voor bij de door mij

voorgestelde toetsing. Daarbij zal de rechter overigens eenvoudig de lijn

hoeven doortrekken die al ontwikkeld is bij de toetsing van lagere

regelgeving. Ook daar waakt de rechter er bij de toetsing voor de

discretionaire ruimte van regelgevers niet in te vullen met een eigen

oordeel.

Rechtsvergelijking

Nederland is op dit moment het enige land in Europa dat toetsing aan de

nationale Grondwet door de rechter geheel verbiedt. In ieder land is de

constitutionele toetsing anders geregeld, hetgeen inhoudt dat enkel

binnen Europa reeds vijftig verschillende vormen van constitutionele

toetsing bestaan. Hoewel het onmogelijk is om de exacte gevolgen van

invoering van constitutionele toetsing in Nederland af te leiden uit de

25

L.F.M Verhey,

Wetgever en constitutie: enkele beschouwingen over de mug en de olifant

,

Preadvies Vereniging voor wetgeving en wetgevingsbeleid, Nijmegen: Wolf Legal Publishers

2009, p. 1–41.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

ervaringen in andere landen, kunnen wij wel lering trekken uit de

constitutionele toetsing in het buitenland

26

.

De leden van de PvdA-fractie wensen dan ook te vernemen of mij andere

landen bekend zijn waar de constitutionele toetsing aanvankelijk niet

bestond en waar die later wel is ingevoerd. Ik zal hierop antwoord

proberen te geven middels een analyse van de manier waarop de

constitutionele toetsing in andere landen is vormgegeven, waardoor de

eventuele gevolgen van dit wetsvoorstel meer op waarde kunnen worden

geschat. Om dit zo volledig mogelijk te doen, zal ik eerst de twee

voornaamste modellen van constitutionele toetsing beschrijven.

Vervolgens zal ik ingaan op enkele landen die later tot invoering van

constitutionele toetsing zijn overgegaan, respectievelijk de Scandina-

vische landen, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Tot slot

worden de gevolgen hiervan belicht.

Zoals hiervoor benoemd, zijn er grofweg twee modellen van constituti-

onele toetsing te onderscheiden. Het ene model is het continentaal-

Europese model. Dit model is vooral te vinden in Zuid-, Midden- en

Oost-Europese landen, zoals Duitsland, maar ook in België en sinds kort in

Frankrijk en Luxemburg. Het model wordt gekenmerkt door een toetsing

die geconcentreerd is in een Constitutioneel Hof. Als gevolg van deze

concentratie moeten lagere rechters wanneer zij met grondrechtenproble-

matiek worden geconfronteerd middels een prejudiciële vraag het

probleem voorleggen aan het Constitutioneel Hof. Daarnaast is ook

abstracte toetsing op verzoek van daartoe aangewezen organen mogelijk.

Naast dit model bestaat een decentraal model dat is gebaseerd op de

constitutionele toetsing in de Verenigde Staten. Dit model wordt onder

andere gehanteerd in Scandinavische landen en in Canada. Het belang-

rijkste kenmerk van dit model is de gespreide toetsing, hetgeen inhoudt

dat alle rechters bevoegd zijn om uitspraken te doen over de grondwet-

tigheid van bepaalde zaken. Daarnaast is bij dit model enkel concrete

toetsing mogelijk, zodat alleen personen die direct in hun grondrechten

menen te worden geschaad, naar de rechter kunnen gaan.

Beide modellen kennen zowel voor- als nadelen. Het continentaal-

Europese model komt vooral voor in staten met een federaal stelsel. Het is

logisch dat dergelijke landen, zoals Duitsland, hebben gekozen voor een

geconcentreerd hof dat de grensgevechten tussen deelstaat en federatie

tot een einde moet brengen. Een nadeel van een dergelijk hof is dat het

gevaar van politisering van benoemingen met zich meebrengt. In de

Scandinavische staten is de staatsrechtelijke situatie anders. De Scandina-

vische staten zijn net als Nederland gedecentraliseerde eenheidsstaten en

hanteren een gespreid toetsingsmodel. Dit is ook het model dat dit

wetsvoorstel beoogt in te voeren. Dit model heeft ook enkele potentiële

nadelen. Zo neemt door gespreide toetsing de kans op uiteenlopende

opvattingen tussen de verschillende rechterlijke instanties toe. Zoals

hiervoor is bepleit, wordt dit in deze landen niet als een probleem ervaren.

Uiteenlopende opvattingen zijn inherent aan de rechterlijke arbeid en

kunnen onder andere door gerechtelijke hiërarchie worden vereffend.

Aangezien in dit wetsvoorstel een systeem van gespreide toetsing wordt

beoogd en de rechter slechts concreet toetst, lijkt dit het meest op het

model dat onder andere in Scandinavië en Canada voorkomt. In de

Nadere Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer is vooral aan

Scandinavië uitgebreid aandacht besteed.

27

Ik zal een en ander kort

samenvatten. Constitutionele toetsing was in deze landen geen vanzelf-

sprekend fenomeen. Toch werd uiteindelijk de invoering van toetsing

wenselijk geacht om het systeem van

checks and balances

in de democra-

tische rechtsstaat optimaal tot zijn recht te laten komen. In Noorwegen en

26

Waarbij ik hier dankbaar gebruik maak van: W. van der Woude, L.F.M. Verhey & Ph. Kiiver,

Institutionele aspecten van constitutionele toetsing, Deventer: Kluwer 2012

27

Kamerstukken I

2007/08, 28 331 E.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

Denemarken is de ontwikkeling van constitutionele toetsing tot stand

gekomen in de jurisprudentie. In Zweden is er lange tijd discussie geweest

over de invoering van constitutionele toetsing die grote overeenkomsten

vertoonde met het Nederlandse debat. Uiteindelijk is in 1979 een

compromis tussen beide partijen tot stand gekomen en is het toetsings-

recht expliciet vastgelegd in artikel 11:14 van de

Regeringsform

. Het

compromis hield in dat de rechter de bevoegdheid kreeg formele wetten

of regeringsverordeningen te toetsen aan hoger recht, maar dat deze

wetten of verordeningen enkel buiten toepassing mochten worden

gelaten wanneer er sprake is van een «kennelijke breuk». Hiermee werd

bereikt dat toetsing inderdaad mogelijk werd en daarnaast werd met de

zinsnede «kennelijke breuk» het primaat van de wetgever benadrukt. Ook

in Finland is de mogelijkheid om te toetsen aan formele wetgeving pas

later in de Grondwet neergelegd. Net als in Zweden geldt dat er sprake is

van een verzwaarde bewijslast voor de rechter, aangezien formele wetten

in Finland enkel buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer deze

«onmiskenbaar» in strijd zijn met de Grondwet. Uit het bovenstaande kan

worden geconcludeerd dat er in de Scandinavische landen tijd overheen

is gegaan voordat constitutionele toetsing ingebed was in het staatsbestel

en dat de rechter bij de toetsing van formele wetgeving een zeer

terughoudende positie inneemt. Dit stelsel dient dan ook als een

representatief voorbeeld van hoe de positie van de Nederlandse rechter,

die doorgaans terughoudendheid betracht en veel respect voor de

wetgever toont, eruit zou kunnen zien.

Ook Frankrijk kende aanvankelijk geen constitutionele toetsing. Het Franse

staatsbestel is namelijk gebaseerd op de begrippen volkssoevereiniteit en

de trias politica. Deze vinden hun grondslag in de ideeën van de Franse

verlichtingsfilosoof Montesquieu. De wet werd eerst en bovenal gezien als

«

expression de la volonté générale

» en dit belette aanvankelijk elke vorm

van toetsing. In 1958 werd een abstracte vorm van

ex ante

toetsing door

de Conseil Constitutionnel ingevoerd, waarbij men zich ter verant-

woording beriep op de scheiding tussen parlement en regering. Een halve

eeuw later drong toch het besef door dat er ook een vorm van constituti-

onele toetsing zou moeten bestaan nadat de wet in werking is getreden.

Dit had als gevolg dat per 2010 een continentaal-Europese vorm van

toetsing is toegevoegd aan de reeds bestaande

ex ante

toetsing. De

Conseil Constitutionnel heeft de bevoegdheid gekregen om prejudiciële

vragen te beantwoorden over de grondwettigheid van formele wetgeving

die reeds in werking is getreden.

28

In Frankrijk is de invoering van deze

continentaal-Europese toetsing over het algemeen als positief ervaren. De

bevoegdheden van de Conseil Constitutionnel worden niet als een

problematische doublure gezien, maar als wederzijds versterkende

mechanismen.

In het Verenigd Koninkrijk staat de

sovereignty of parliament

hoog in het

vaandel. Daarnaast vond het concept van in een Grondwet gecodificeerde

mensenrechten geen vruchtbare bodem in de Britse rechtsorde. Voorna-

melijk vanwege deze twee factoren was het lange tijd ondenkbaar dat

constitutionele toetsing mogelijk zou worden. Uiteindelijk heeft in het

Verenigd Koninkrijk echter een grote verandering plaatsgevonden, waarbij

de toetreding tot de Europese Gemeenschap en tot het EVRM van groot

belang is geweest. De wisselwerking tussen deze Europese wetgeving en

de Britse wetgeving verliep namelijk moeizaam. In 1998 is het EVRM in de

Britse rechtsorde geïmplementeerd door middel van de Human Rights

Act, waardoor toetsing aan grondrechten mogelijk werd. Naast grond-

rechtenbescherming is bij het vormgeven van constitutionele toetsing ook

rekening gehouden met de soevereiniteit van het Westminster parlement.

Wanneer een rechter namelijk een wet in strijd acht met een of meerdere

28

F. Fabbrini, «Kelsen in Paris: France’s Constitutional Reform and the Introduction of A

Posteriori Constitutional Review of Legislation»,

German Law Journal

9(10), p. 1297–1312.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8 18

 

grondrechten, wordt de wet niet vernietigd maar blijft de wetgeving in

stand. De uitspraak van de rechter kan daarom beter gezien worden als

een signaal aan de wetgever dat er sprake is van incompatibiliteit met

grondrechten. Uit de praktijk blijkt dat de wetgever in vrijwel alle gevallen

aan deze signalen van de rechter gevolg geeft. De wetgever bepaalt

uiteindelijk zelf op welke wijze deze incompatibiliteit moet worden

opgelost. Hiervoor heeft hij onder andere een spoedprocedure tot zijn

beschikking waardoor hij in dergelijke gevallen sneller tot nieuwe

wetgeving kan komen.

In Canada is vanwege de Britse invloed de

sovereignty of parliament

ook

één van de grondbeginselen. Toch is een aantal decennia geleden in dit

land ook de discussie ontstaan over het invoeren van constitutionele

toetsing. Een vergelijking met Canada op dit punt is zeer relevant,

aangezien de argumenten die in de Canadese discussie naar voren

kwamen voor een groot deel overeenkomen met de argumenten die reeds

in Nederland tijdens de eerste lezing aan bod zijn gekomen. Net als in

Nederland was de grootste weerstand in Canada gericht op het feit dat de

democratisch gelegitimeerde wetgever soeverein behoort te zijn in zijn

wetgevende taak, met als gevolg dat constitutionele toetsing als onwen-

selijk wordt gezien. Uiteindelijk is er in Canada een systeem van constituti-

onele toetsing gekomen waarin de rol van de wetgever bij de grond-

rechtenbescherming nog steeds van eminent belang is, waardoor zowel

de voor- als tegenstanders het wetsvoorstel konden aanvaarden.

Sinds 1982 zijn Canadese rechters bevoegd om wetgeving die in strijd

wordt bevonden met het

Charter of Rights and Freedoms

, onderdeel van

de Canadese constitutie, nietig te verklaren. Naar aanleiding van deze

verandering is er in de rechtspraktijk een zoektocht ontstaan naar een

balans tussen effectieve grondrechtenbescherming enerzijds en het

primaat van democratische instellingen anderzijds. Ik zal een kort

overzicht van deze zoektocht geven. Om de tegenstanders tegemoet te

komen, is tegelijkertijd met de invoering van constitutionele toetsing

artikel 33 aan de

Charter

toegevoegd. In dit artikel is een mechanisme

ontwikkeld waarin zowel de federale wetgever als de wetgevers van de

verschillende provincies de mogelijkheid krijgen om met een gewone

meerderheid te bepalen dat wetgeving voor een periode van vijf jaar

geldig is, ook wanneer deze in strijd wordt verklaard met één van de

bepalingen van de

Charter.

Dit wordt ook wel de

notwithstanding clause

genoemd. De periode van vijf jaar blijkt in de praktijk inderdaad de

daarmee beoogde afkoelingsperiode te zijn. Hiervan maakt de wetgever

echter zelden gebruik. Dit is interessant aangezien dit mechanisme het

sluitstuk van het waarborgen van de parlementaire soevereiniteit is. In de

praktijk blijkt het artikel voornamelijk een fictieve waarde te hebben,

hetgeen laat zien dat de wetgever geen problemen heeft met de rechter-

lijke toetsing.

Naast de

notwithstanding clause

heeft de Canadese rechter ook enkele

middelen tot zijn beschikking om ervoor te zorgen dat de wetgever in de

meeste zaken het laatste woord heeft. Voorbeelden hiervan zijn de

onverbindendverklaring op termijn, grondwetsconforme interpretatie,

gedeeltelijke nietigheid en het buiten toepassing laten van wetgeving in

concrete gevallen. Al deze middelen komen tot uitdrukking in de theorie

van dialoogmodellen die in Canada ontwikkeld is.

29

Deze theorie bepleit

dat men niet verontrust behoort te zijn over het gebrek aan democratische

legitimatie van de rechter, maar dat het van groter belang is dat de rechter

door de vormgeving van zijn uitspraak de wetgever zoveel mogelijk de

gelegenheid biedt om een oplossing te formuleren. De complementaire

taken van de rechter en de wetgever bij het waarborgen van grond-

29

P.W. Hogg & A.A. Bushell, «The Charter Dialogue between Courts and Legislatures (or perhaps

the

Charter of Rights

Isn’t Such a bad Thing after All»,

Osgoode Hall Law Journal

35(1),

p. 75–124.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

rechtenbescherming komen hierin tot uitdrukking. Het rechterlijk oordeel

wordt dan ook niet gezien als een finale doodslag van wetgeving, maar

moet worden bezien vanuit het licht van de onderlinge relatie met de

wetgever. De theorie van dialoogmodellen probeert als zodanig een

antwoord te geven op bepaalde bezwaren van constitutionele toetsing die

tegenstanders vaak naar voren brengen. Het respect voor de wetgever

blijkt uit de terughoudende opstelling van de Canadese rechter. In 95

procent van de gevallen was de uitkomst namelijk gelijk aan wat de

wetgever voor ogen had. Anderzijds toont de wetgever ook respect voor

de uitspraak van de rechter. Zo heeft de wetgever in meer dan 80 procent

van de zaken waarin de rechter strijdigheid met de

Charter

aantoonde

gereageerd met een adequate en snelle verandering van wetgeving. Deze

balans tussen de parlementaire soevereiniteit en constitutioneel toetsings-

recht is uniek in de wereld. Hoewel niet in alle zaken het dialoogmodel

toegepast kan worden en de rechter in enkele gevallen nog het laatste

woord heeft, blijkt dat het in de meeste zaken toch lukt om een dialoog

tussen de rechter en wetgever te bewerkstelligen.

30

Uit de bovenstaande rechtsvergelijking zijn enkele voor dit wetsvoorstel

relevante gevolgtrekkingen af te leiden. In alle landen waar pas later

constitutionele toetsing is ingevoerd, is een verschuiving te zien van de

vraag

of

constitutionele toetsing gerechtvaardigd is naar de vraag

hoe

constitutionele toetsing vormgegeven kan worden zodat er een

evenwichtig systeem van

checks and balances

ontstaat. Zeker in de

landen waar de

sovereignty of parliament

voor grote terughoudendheid

over de invoering van constitutionele toetsing zorgde, is veel aandacht

besteed aan theorieën en mogelijkheden van de rechter om de soeverei-

niteit van de wetgever te waarborgen en een zo goed mogelijk machts-

evenwicht tussen de verschillende staatsrechtelijke machten te bereiken.

Dat het tijd kost om tot een uitgebalanceerd machtsevenwicht te komen,

spreekt voor zich. Zo is de zoektocht in Canada naar het evenwicht tussen

constitutionele toetsing en het primaat van de wetgever niet zonder slag

of stoot geweest. Toch is uiteindelijk daar een model van constitutionele

toetsing ontstaan dat in steeds meer landen voet aan de grond krijgt.

31

Daarnaast is uit de rechtsvergelijking met Scandinavië en Canada

gebleken dat in deze landen, waar de rechter altijd een terughoudende

opstelling heeft gehad ten opzichte van wetgevingsvraagstukken, de

rechter deze terughoudende opstelling heeft behouden. Het enkele feit dat

de rechter meer mogelijkheden tot toetsing heeft gekregen, heeft dus niet

geleid tot een meer activistische houding van de rechter. Dit ondersteunt

de gedachte dat ook in ons land een meer activistische rechterlijke

opstelling niet in de lijn der verwachting ligt. Tot slot is de kritiek na de

invoering van constitutionele toetsing gering geweest, ook in landen waar

van tevoren behoorlijke weerstand tegen constitutionele toetsing bestond.

Constitutionele toetsing is namelijk in alle landen geen rechterlijk

monopolie. Andere instituties, zoals de Raad van State en de wetgever,

hebben namelijk ook een eigen onderscheiden taak. Daarnaast vergroot

constitutionele toetsing het samenspel tussen de verschillende machten.

In verscheidene landen komt dan ook naar voren dat de invoering van

constitutionele toetsing wordt gezien als een versterkend mechanisme

tussen de verschillende entiteiten binnen het toetsingsmodel in plaats van

als een gevaar voor de soevereine wetgevende macht.

Het enkele feit dat na de aanvaarding van dit wetsvoorstel getoetst kan

worden aan nationale grondrechten die aan individuen een subjectief

recht toekennen, realiseert reeds een grotere rechtsbescherming. Terwijl

de burger eerst naar de rechter in Straatsburg moest voor de ontwikkeling

30

J. Uzman,

Constitutionele remedies bij schending van grondrechten

, diss. Universiteit Leiden,

Deventer: Kluwer 2013, p. 521–595.

31

K. Roach, «Constitutional, Remedial, and International Dialogues About Rights: The Canadian

Experience»,

Texas International Law Journal

, 40(3), p. 537–576.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

van de grondrechtenbescherming, kan dit nu ook dichter bij huis. In het

Verenigd Koninkrijk is dit de belangrijkste reden geweest voor invoering

van toetsing aan grondrechten.

«Bringing human rights back home»

was

het doel van de invoering. Dit is tevens een belangrijk argument in de

Nederlandse discussie over de invoering van constitutionele toetsing. Het

vertrouwen in de nationale rechter, die de rechtstraditie kent en daarmee

rekening houdt, is groter dan het vertrouwen in bijvoorbeeld de Russische

of Roemeense rechter bij het EHRM. Daarnaast is een goede nationale

grondrechtenbescherming van eminent belang voor de verbetering van

rechtsbescherming van de burgers. Dit is af te leiden uit het feit dat er

onder andere in Duitsland en Spanje, waar de grondrechtenbescherming

goed op orde is, relatief weinig zaken in Straatsburg worden aange-

spannen. Indien dit wetsvoorstel wordt aanvaard, zal naar alle waarschijn-

lijkheid het aantal Nederlandse klachten in Straatsburg ook afnemen.

Daarnaast is in een rechtsvergelijkend onderzoek naar constitutionele

toetsing uit 2008 weer vastgesteld dat de Grondwet door constitutionele

toetsing levend wordt gehouden en wordt geactualiseerd.

32

De Grondwet

als levend document zorgt ervoor dat de Grondwet een daadwerkelijke

betekenis heeft in het politieke, maatschappelijke en juridische verkeer.

Het gevolg hiervan is dat het belang van de Grondwet als basis en kader

groter is dan in een land zonder constitutionele toetsing, hetgeen de

rechtsbescherming van het individu ook ten goede komt.

Tot slot wil ik benadrukken dat het enkele feit dat vele landen constituti-

onele toetsing kennen, op zichzelf geen argument is om ook in Nederland

tot constitutionele toetsing over te gaan. Wel geven de genoemde

voorbeelden aan dat constitutionele toetsing ook bestaat in representa-

tieve democratieën en in landen waar de soevereiniteit van het parlement

één van de basisbeginselen van de staat is. Met de invoering van

constitutionele toetsing is de parlementaire soevereiniteit niet verdwenen.

Zo zal niemand beweren dat met de komst van constitutionele toetsing

het Westminster parlement zijn soevereiniteit heeft verloren. De boven-

staande rechtsvergelijking ondersteunt de argumentatie voor dit

wetsvoorstel.

Invloed op de rechtsgang

De leden van de D66-fractie hebben de indiener verzocht in te gaan op de

mogelijke gevolgen voor de doorlooptijd van rechtszaken na aanvaarding

van dit wetsvoorstel. Het ligt in ieder geval niet in de lijn der verwachting

dat de doorlooptijd fors zal toenemen. Het wetsvoorstel biedt weliswaar

meer mogelijkheden aan de rechtszoekende burger om voor zijn

grondrechten op te komen, maar het is niet zo dat hij significant meer

kans heeft om in het gelijk gesteld te worden dan in het geval hij een

beroep doet op vergelijkbare bepalingen uit het EVRM, hetgeen overigens

ook subsidiair gedaan kan worden. Het gaat er vooral om dat hij ook een

beroep kan doen op bepalingen van nationaal recht in plaats van enkel op

verdragsbepalingen. Daarom valt niet te voorzien dat het aantal rechts-

zaken, en dus ook de doorlooptijd daarvan, exponentieel zal toenemen.

Men zou zelfs kunnen stellen dat de doorlooptijd van rechtszaken waarin

een mogelijke grondrechtenschending in het geding is zal afnemen. De

rechtszoekende hoeft dan namelijk niet langer helemaal tot aan

Straatsburg te procederen om zekerheid te verkrijgen omtrent zijn

rechtspositie. Wanneer immers de Hoge Raad of een van onze andere

hoogste rechtscolleges van oordeel is dat er geen schending van de

Grondwet heeft plaatsgevonden, moet nog maar worden afgewacht of het

EHRM alsnog zal oordelen dat er wél een schending van het EVRM heeft

plaatsgevonden. Hoewel de beroepsmogelijkheid bij het Straatsburgse

32

B.J. Koops, R.E. Leenes en P. de Hert, «Grondrechten en nieuwe technologieën. Een rechtsver-

gelijkend overzicht»,

NJB

2008(19), p. 1157–1164.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

Hof natuurlijk blijft bestaan, zal de burger op grond van het voorgaande

daar minder snel voor opteren. Het voordeel daarvan is zoals gezegd dat

een uitputting van de nationale rechtsmiddelen aanzienlijk minder tijd

kost dan de lange gang naar het EHRM. Dit instituut kampt immers met

overbelasting waardoor het jaren kan duren alvorens er een definitieve

uitspraak ligt. Een ander voordeel op macro-niveau dat gerealiseerd wordt

wanneer een Nederlandse burger besluit niet verder te procederen dan de

hoogste nationale rechterlijke instantie is dat daarmee de rechtsontwik-

keling ten dele zal verschuiven van Straatsburg naar ons eigen land. De

Nederlandse rechter kan dan met andere woorden leidend zijn in de

interpretatie van grondrechten. Omdat veel Nederlanders thans na een

uitspraak van bijvoorbeeld de Hoge Raad een beroep wensen te doen op

de grondrechten van het EVRM heeft het Straatsburgse Hof vrijwel altijd

het laatste woord. Dit verandert uiteraard wanneer het aantal Nederlandse

klagers afneemt. Dit valt, zoals eerder besproken, na de invoering van dit

wetsvoorstel te verwachten, simpelweg omdat een procedure bij het

EHRM dan weinig meer toevoegt ten opzichte van de nationale

rechtsgang.

De D66-fractie heeft ook gesteld vragen omtrent de voorbereidingshande-

lingen en de daarmee gepaard gaande kosten. Wanneer constitutionele

toetsing ingevoerd zou worden, zou dit gemakkelijk opgenomen kunnen

worden in onze huidige rechterlijke organisatie. Alle rechters zijn op dit

moment, zoals eerder genoemd, reeds bevoegd om lagere wetgeving aan

de Grondwet te toetsen en om aan ieder verbindende verdragsbepalingen

te toetsen. De voorbereidingshandelingen zullen daarom gering zijn. Wat

de financiële implicaties zijn, is op voorhand lastig te voorspellen. De

verwachting luidt in ieder geval dat de toename van het aantal zaken

gering zal zijn. Toen in 1953 toetsing aan internationale verdragen

mogelijk werd, is het aantal rechtszaken toegenomen. De stijging van het

aantal zaken zal met de invoering van constitutionele toetsing naar alle

waarschijnlijkheid een stuk kleiner zijn. Immers, bij een beroep op het

EVRM zal het doorgaans gaan om vergelijkbare grondrechten als die men

vindt in onze Grondwet. Er zijn namelijk niet veel grondwetsbepalingen te

noemen die niet in het EVRM voorkomen. Daarom zal een beroep op een

bepaling uit de Grondwet in vrijwel alle gevallen samenvallen met een

beroep op een bepaling uit het EVRM. De belasting voor de rechtspraak

zal dan ook nauwelijks toenemen. Aan een wetsvoorstel zullen altijd enige

kosten verbonden zijn, maar gezien het bovenstaande zullen de kosten

alleszins te overzien zijn. Dit weegt dan ook ruimschoots op tegen de

verbeterde rechtsbescherming die met dit wetsvoorstel gerealiseerd zal

worden.

Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens

De D66-fractie heeft tot slot aangegeven graag een toelichting te

ontvangen over de vraag hoe het onderhavige voorstel zich verhoudt tot

(de bevoegdheden) van het sinds 1 oktober 2012 bestaande College voor

de rechten van de mens). Doel van het college is de rechten van de mens,

waaronder het recht op gelijke behandeling, in Nederland te beschermen

en de naleving daarvan te bevorderen. Dit kan door gevraagd en

ongevraagd advies uit te brengen, door aanbevelingen te doen en door

voorlichting te geven. Het gaat hier om de opvolger van de Commissie

gelijke behandeling. Hoewel het instituut evenals het onderhavige

wetsvoorstel de grondrechtenbescherming beoogt te verbeteren, gaat het

hier uitdrukkelijk niet om een rechterlijk college. Het instituut beschikt, net

als destijds de Commissie gelijke behandeling, over niet-bindende

bevoegdheden. Bovendien beschikt het College niet over een oordeelsbe-

voegdheid inzake andere mensenrechten dan gelijke behandeling en

non-discriminatie. Het bestaan van deze instelling doet geen afbreuk aan

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8

 

de noodzaak om wetten toetsbaar te maken aan de meest fundamentele

grondwettelijke bepalingen.

Van Tongeren

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 334, nr. 8 2

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20140820/nota_naar_aanleiding_van_het/document3/f=/vjmhcqo90osh.pdf

 

De reactie van de 2de kamer op 5 maart 2015 op Liesbeth van Tongeren's verdediging van de aanpassing van artikel 120 is hier te vinden.

 

| Fundamentele mensenrechten voor kinderen en gezinnen in Nederland | Stop de Kinderroof en Maak Nederland Humaan!Petitie en brief | Fundamentele mensenrechtenschendingen van kinderen en gezinnen in Nederland | Correcties bij Stop de Kinderroof! | Sven Snijer : "Uithuisplaatsen Stap voor Stap" | Schoolplicht versus Leerrecht | Wat is OORvoorU? | Wat is OOR4U? | Wat is zondebokdenken? | 25 dingen die je moet weten voordat je je kind in Nederland op een school inschrijft | Anti pestprogramma's op scholen verergeren pestgedrag vaak juist | Opdracht voor opstel lijkt wel kruisverhoor | GGD vragenlijst als manier om jeugdzorg klantjes te werven | Wat zeggen deskundigen over thuisonderwijs? | Wat zegt de Overheid? | AD 17 december 2014 | Leerkrachten stappen massaal uit het gangbare onderwijs, omdat ze datgene wat van overheidswege van ze geeist wordt niet kunnen rijmen met het beste belang van het kind | Afgekeurde scholen | Klokkenluiders en mensen die opkomen voor kinderen en gezinnen worden door gemeenten hun huis uitgepest | Sluiting onderzoekscentrum LOOK | Waar gaat er dan wel geld naar toe? | Gesloten scholen | Ouders die het beste onderwijs voor hun kinderen willen worden in Nederland strafrechtelijk vervolgd.Een voorbeeld van hoe zo'n strafzitting verloopt. De Afwezigheid van Vrijheid van Onderwijs in Nederland haalt de internationale pers. | Verzamelde acties van organisaties en individuen tegen de schending van fundamentele mensenrechten van kinderen en gezinnen in Nederland | Sailing for Education | Voor alle moeders die op moederdag niet bij hun kinderen mogen zijn | Connect acties | Conceptpetitie Vrijheid van Onderwijs en Waarborging van de Fundamentele Mensenrechten van Alle Kinderen en Gezinnen in Nederland voor de Optimale Ontwikkeling van Ieder Kind! | Conceptpetitie Stop de Kinderroof! | Conceptpetitie 2 Stop de Kinderroof! | Stop TPP, TTIP, CETA en IFDF! | Vermiste Kinderen | Kinderen in jeugdtehuizen en pleeggezinnen worden drie tot vier keer vaker seksueel misbruikt dan jongeren die thuis wonen. | Hulp aan slachtoffers van fundamentele mensenrechtenschendingen door instellingen | Lijsten waarmee gewerkt wordt om risico kindermishandeling te bepalen | Help ze helpen | Werkverschaffing binnen de jeugdzorg, hoe gaat dat? | Martin Vrijland:Jeugdzorgmedewerker komt uit de kast | Operatie Exodus | Wat wil Nederland? Waarborging van Fundamentele Mensenrechten, of Meer van?t Zelfde? | Brandbrief van lotgenoten van de Commissie Samson | Het kan ook anders, het kan ook beter! Scholen die goed bezig zijn, het nieuwe leren en schoolconcepten die in ontwikkeling zijn | WOWcollege | Neil de Grasse Tyson | Homeschooling legality and statistics per country | Ouderinitiatieven worden de grond in geboord door besturen , een voorbeeld: School Zoekt ZUS | Tweede mislukte ouderinitiatiefKOOG, conceptpetitie | Informatieve links | Inspirerende links | Einstein citaten | Einstein op thema | Martin Luther King dag | Martin Luther King citaten | Tesla | Alfie Kohn, Mensen zijn van nature niet aggressief | OORvoorU blogs op uvrm.wordpress | Hoogbegaafden | Gezellige Gezinnen | Wonderkinderen | Vervolgde Gezinnen | In Jeugdzorgkinderen blikt een voormalig jeugdzorgkind terug op zijn jeugd en vertelt hoe het is om als volwassene te leven met een jeugdzorgverleden | Uithuisplaatsingen zijn slecht voor kinderen. Dat zie je ook weer aan deze foto's | Hans en Irme | De hel die jeugdzorg heet | Sylvano | Kinderen mishandelen wordt protocol genoemd in jeugdzorginstellingen | Voor Sylvano | TjW Strubbe Zaak Silvano, 2014, als voorbeeld over de attitude van ?jeugdzorg? | Stentor 29 september 2014 Sylvano" "Zeg tegen mamma Dat Alles weer Goedkomt." | Spectrum 1 november 2014 "Sylvano, zijn moeder en het netwerk." | NRC artikel Sylvano 8 december 2014 | Stentor 24 december 2014 Sylvano viert kerst met zijn moeder | Artikel Lukretia en Rafael in tijdschrft "Vriendin" September 2014 | Remzi Cavdar | Kamp Nederland | Politiek | Declaration of Independence | Nuremberg Principles | UVRM Universele Verklaring van de Rechten van de Mens | Universal Declaration of Human Rights | Hoe is de UVRM ontstaan? | De EVRM Het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens | Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie | Europese Verdragen | Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind | De internationale verklaring van Langeac over gelijkwaardig ouderschap | De Nederlandse Grondwet | De bron van de ongebreidelde mensenrechtenschendingen in Nederland: Artikel 120 van de grondwet en artikel 2 van de EVRM | Het opheffen van artikel 120 van de grondwet is heel dichtbij | Wetsvoorstel Femke Halsema 8 maart 2010 om artikel 120 van de grondwet te wijzigen, de verdediging waarvan overgenomen is door Liesbeth van Tongeren | Artikel 120 van de Nederlandse Grondwet | Wetsvoorstel Femke Halsema 8 maart 2010 om artikel 120 van de grondwet te wijzigen met de artikelen van de grondwet waarop rechters wetten en regels mogen toetsen | Verslag met reaktie 2de kamer van 20 oktober 2010 op voorstel Femke Halsema tot aanpassing artikel 120 op 8 maart 2010 | Verdediging van Liesbeth van Tongeren van aanpassing artikel 120 , 20 augustus 2014 | Eigen opmerkingen n.a.v. de verdediging van Liesbeth van Tongeren op de aanpassing van artikel 120 van de Nederlandse grondwet | Vraagtekens bij handelwijze aanpassing artikel 120 | Voorstel Joost Taverne tot aanpassing artikel 93 en 94 van de grondwet, 6 september 2012 | The Dutch law on custody of children | Dit is de klacht waarmee het kinderrechten collectief 24 september 2014 naar Geneve is gegaan en wat 27 mei 2015 op de agenda staat om behandeld te worden | Wat is Trias Politica? | Discussie eerste kamer bij totstandkoming artikel 279 en 280 wetboek van strafrecht | Beroepsgegevens en nevenbetrekkingen Rechterlijke Machtgina | Repliek OvJ | "All wars are bankers wars,"interessant, maar creëert helaas ook weer nieuwe zondebokken | Green peace:De zeven gouden regels van actie voeren | Burgerlijke ongehoorzaamheid | Helden | John Taylor Gatto | Nelson Mandela | Professor Arnold Heertje, Held! | Lange Frans, Kamervragen 2 | Jeugd en gezin 24 december 2014: Jeugdhulpverlenen zonder toestemming van de ouders | Darkhorse blogspot over misstanden bureau jeugdzorg | Micky Nijboer, de paarden redster van Marrum | Gehackt | De OORvoorU website werd gehackt; en de heldere uitleg die ik gaf over de stand van zaken wat betreft de schoolplicht werd vervangen door deze;een oude van mijn uvrm site, genaamd "Vrijheid van Onderwijs:Geen Schoolplicht maar Leerrecht voor de Optim | January 7th 2015 , grief and determination to stand strong for universal liberties | Franktijk heeft pijn | Inspirerende Initiatieven om de aarde mooi te houden en nog mooier te maken

Laatste wijziging op: 26-05-2015 18:03